Leergang Rubens Quartet

Abcoude, voorjaar 2014

 

Wij musici vervullen een mooie, maar bijzonder uitdagende taak: we brengen partituren tot leven, die vaak zo geniaal zijn gecomponeerd dat iedere uitvoering ervan per definitie teleurstellend zou kunnen zijn. Aan de andere kant: de muziek bestaat eigenlijk pas, wanneer ze klinkt. Alsof dat nog niet ingewikkeld genoeg is, vraagt de uitvoering van kamermuziek een bijzonder geraffineerde instrumentale beheersing, én - en daarom zijn we hier - teamwork op hoog niveau - for better and for worse! Met deze leergang proberen we jullie te helpen om individuele stemmen tot een eenheid te smeden, zodat het resultaat groter is dan de som van de afzonderlijke delen. Dat is haalbaar op verschillende niveaus, van beginnend tot professioneel. Daarbij is niet het eindresultaat de eerste prioriteit, maar de boeiende, uitdagende en soms ook confronterende weg ernaartoe. Sterker nog: het mooie van muziekmaken is juist dat je nooit klaar bent! We wensen jullie veel plezier en inspiratie tijdens de muzikale reis die we samen gaan maken.

 

Waar te beginnen?

De partituur, in feite de laatste wil van de componist, is altijd de basis. Het muziekschrift geeft ons veel informatie over de intenties van de componist, maar roept tegelijkertijd nog meer vragen op. De partituur wijst ons dus maar zeer beperkt de weg, en het is onvermijdelijk om er iets van jezelf aan toe te voegen. Hoe ga je te werk om de noten tot leven te wekken? Een integere interpretatie, zonder hineininterpretieren, begint als volgt: Bestudeer de partituur en stel je voor dat je deze horizontaal (melodie), verticaal (harmonie) en ruimtelijk (klank) hoort, zoals we in het dagelijks leven en in de wiskunde ook drie dimensies hebben. Wat betekent dit kunstwerk voor ons? Hoe identificeer ik mij ermee? Gebruik simpele woorden om karakters te definiëren en je in de muzikale stemming te verenigen; dat ligt aan de basis van het gezamenlijk laten klinken van het werk. Onderscheid steeds dat wat er écht staat van de (subjectieve) interpretatie; onnauwkeurig lezen van de partituur kan leiden tot muzikale misverstanden die je later moeilijk kunt afleren. In die zin is het gebruik van een Urtext-editie (Henle, Bärenreiter of Peters Urtext) aan te bevelen boven een versie die al door een andere musicus is geïnterpreteerd.

 

We kunnen een muziekwerk aan de hand van verschillende “ingangen” benaderen. Belangrijk is daarbij om van groot naar klein te werken, m.a.w. als een beeldhouwer te werk te gaan die eerst de ruwe vormen creëert en pas later aan de fijnere afwerking toekomt. In die volgorde willen we jullie ook laten kennismaken met enkele mogelijke ingangen die toegang geven tot een compositie:


 

Structuur/vorm - basisvormen, maatgroepen, frasering


Een heel belangrijk gegeven is de specifieke structuur die uniek is voor elk kunstwerk. De muziekleer onderscheidt basisvormen zoals sonatevorm, rondo en thema met variaties. Een van de eerste stappen bij het instuderen van een nieuw werk is het determineren van de vorm: dit is vergelijkbaar met het bestuderen van een landkaart voordat je een onbekend land bezoekt. Maak voor jezelf een “plattegrond” van de structuur en zorg ervoor dat iedereen in de groep de specifieke herkenningspunten, zoals reprise, doorwerking, tweede thema, etc. paraat heeft.

Echt interessant wordt het pas wanneer je ontdekt dat elke goed gecomponeerde sonatevorm weer zijn eigen bijzonderheden, afwijkingen heeft, die vragen oproepen: Waarom bestaat deze muzikale zin uit een oneven aantal maten in plaats van gewoon vier of acht? Waarom is het coda zo buitenproportioneel? etc. etc… Determineer voor jezelf welke maten in groepen bij elkaar horen, en of die maatgroepen consistent of juist onregelmatig zijn. Bijzonderheden en uitzonderingen op de verwachte structuur zijn vaak sleutels tot de interpretatie. Het zijn vaak die verrassingen die het verschil maken tussen een goede en een geniale compositie, de krenten in de pap dus!

Het doorgronden van de grote vorm en de maatgroepen binnen een werk zal helpen de verschillende thema’s in een muzikaal landschap te plaatsen. Op die manier belanden we bij de structuur van de afzonderlijke frases. Naar welk moment speel je toe, m.a.w. hoe creëer je met behulp van muzikale richting de frasering? Een frase wil als het ware vanzelf naar een bepaald moment toe, om zich daarna weer te ontspannen; we noemen dat punt het Wendepunkt. Richting binnen het tempo en dynamiek zijn de belangrijkste instrumenten in het hoorbaar maken van de frasering.


 

Intonatie en klank - het strijkkwartet als één instrument, of juist niet?


De zegen én de vloek van het strijkkwartet is het vermogen om de ultieme zuiverheid en homogeniteit te bereiken. Werken aan intonatie en mengklank vergt concentratie en regelmatig onderhoud. Doe het dus vaak, maar niet te lang aan een stuk.

Intonatie is veel meer dan je vingers op de goede plek zetten. Het is een in de toon komen, een vorm van horen die vanuit een sterke klankvoorstelling tot stand komt. Goed intoneren is sterk verbonden met andere aspecten, zoals klankproductie en balans. Het is dus raadzaam om niet alleen de vingers van de linkerhand af te stemmen, maar evengoed ook de streeksnelheid, het contactpunt tussen kam en toets, en de dynamiek!

 

Onder de microscoop gezien is dit wat we moeten doen:

·      voor-horen met begrip van (harmonische) context, fysiek vertaald in

·      Einschwingsvorgang, m.a.w. de lichamelijke voorbereiding van de toon

·      de actie zelf om de vinger op de goede plek te zetten, in relatie tot wat de anderen doen, en tenslotte

·      kleine aanpassingen achteraf, in toonhoogte, klanksterkte en kleur.

 

Stem zorgvuldig! Een strijkkwartet is over het algemeen gebaat bij het krap stemmen van de kwinten, zodat alle mogelijke toonsoorten goed tot hun recht kunnen komen. Check de G-snaren met elkaar, en voor altviool en cello ook de C-snaren. Ensembles met piano stemmen getempereerd (iets minder krap), gelijk aan de piano.

We maken als kwartetspelers onderscheid tussen verticale en horizontale intonatie, d.w.z. het afstemmen van akkoorden (harmonie, verticaal) en melodie (horizontaal). Hieronder een paar gedachten over beide mogelijkheden. In de praktijk komen natuurlijk ook mengvormen voor.

 

1.     Verticale intonatie - In het algemeen horen we akkoorden van onder naar boven; vaak is de cello dus de basis. Het skelet van de meeste akkoorden is een kwintverhouding. Stem die goed af, voordat je toegevoegde tonen, zoals de terts, de septiem of de verdubbeling van de grondtoon inpast. De basale intervallen octaaf, kwint en kwart geven minder ruimte tot flexibiliteit dan bijvoorbeeld een septiem, dus de juiste volgorde is van belang. De grote terts is een cruciale toon: in het akkoord moet deze een fractie lager gespeeld worden dan in de toonladder.

2.     Horizontale intonatie - Bij het afstemmen van een melodische lijn moet je je afvragen in hoeverre die melodie gebonden is aan onderliggende akkoorden. In een langzame sololijn, begeleid door lange noten zal iedere noot zuiver moeten zijn met de harmonie, verticaal dus. Maar wanneer die melodie sneller klinkt, vragen onze oren om een melodische intonatie, met expressieve leidtonen (kruisen hoog, mollen laag) en niet per se op ieder moment harmonisch zuiver. Ook in unisono-passages zonder harmonie heeft de melodische intonatie de voorkeur.

 

Nog een paar intonatietips:

·      Oefen eerst zonder vibrato, en in een later stadium met een klein, gemeenschappelijk vibrato.

·      Wees voortdurend alert op de klankproductie: streeksnelheid, contactpunt en dynamiek.

·      Vergeet bij dit koorddansen niet vooral door te ademen en een gezonde toon te maken!

·      Het afstemmen van unisono-passages werkt meestal het beste wanneer de laagste stem leidt; de andere stemmen mengen zich in die klankkleur. De balans is dus niet helemaal gelijkwaardig!

·      Studeer langzame toonladders in groepsverband: unisono of in tertsen (twee beginnen, en de andere twee beginnen twee tonen later), vier tellen per toon.

·      Studeer lastige passages met behulp van een orgelpunt als harmonische steun.

·      Improviseer samen in de toonsoort van het stuk, voordat je aan het repertoire begint. Wissel daarbij solo en begeleiding (grondtoon plus kwint) af.

 

Het aspect balans kwam hierboven al even aan de orde in relatie tot klank en intonatie. Bij het overtuigend verklanken van een partituur hoort een zekere hiërarchie: de belangrijke dingen moeten altijd gehoord worden. Kies je voor één homogeen instrument met zestien snaren, of toch voor vier individuele stemmen? Welke stem is dan de belangrijkste? Die vragen moeten steeds opnieuw genuanceerd beantwoord worden. Experimenteer met balans, en gebruik daarvoor verschillende middelen: niet alleen dynamiek (hoofdstem luider dan begeleiding) maar ook bijvoorbeeld vibrato (hoofdstem meer/wijder, begeleiding minder/smaller). De grote componisten schrijven vaak vier stemmen die overlopen van muzikale rijkdom, zodat het moeilijk is om drie daarvan als ondergeschikt te ervaren. In zo’n geval kan het helpen om in iedere stem een specifiek karakter te onderstrepen, en tegelijkertijd toch één stem aan te wijzen die dynamisch leidt.



Samenspel – adem, beweging en leiderschap


Samen spelen begint bij samen ademen. Daarbij is een gemeenschappelijke muzikale voorstelling heel belangrijk: een interpretatie die in alle aspecten gedragen wordt door alle musici. Let op, dit kan leiden tot lange discussies zonder gegarandeerd resultaat! Ook een idee dat niet het jouwe is, of zelfs tegen je muzikaliteit ingaat, zal met volle overtuiging gebracht moeten worden. Alleen op die manier kan een echte eenheid bereikt worden.

 

Samenspel heeft ook een fysiek aspect: wie geeft aan wanneer je begint? Afhankelijk van de muziek zijn er talloze mogelijkheden voor een cue. Voorop staat dat iedereen cues moet kunnen geven, en dat niet alleen het moment van beginnen duidelijk is, maar ook de manier waarop er gespeeld gaat worden. Lichaamstaal is dus cruciaal! Vaak is een cue van de op dat moment belangrijkste speler het meest effectief, maar daarvan kan afgeweken worden: een begeleidende stem die pizzicato speelt, bijvoorbeeld, leent zich goed voor het aangeven van de frase. Ook wanneer een niet-solistische partij snellere notenwaarden bevat, kan het goed werken wanneer die speler aangeeft.

 

In een goed kamermuziekensemble is niemand de leider. Of beter gezegd: iedereen leidt! Niets is in een kwartet dodelijker dan een “concertmeester” met drie brave volgelingen. Het verschil in activiteit doet dan afbreuk aan de eenheid die we willen bereiken. Feitelijk leiden we dus allemaal, maar niet allemaal tegelijk. Je kunt kamermuziek in die zin beschouwen als een muzikale estafette, waarin het leiderschap pijlsnel heen en weer flitst tussen de musici.

 

Hieronder volgen oefeningen die helpen bij het leren samen ademen, samen voelen en samen leiden:

       Werk zowel individueel als in het ensemble met de metronoom. Maar niet als een droge oefening! De uitdaging is juist om muzikaal expressief te zijn binnen de tel.

       Menselijke metronoom: één speler klapt als de anderen spelen, of verdeelt het ritme onder met de stok. Deze methode is communicatiever dan met metronoom spelen (ook leerzaam voor de metronoom!) en goed bruikbaar bij lastige tempowisselingen.

       Zing de passage in plaats van te spelen. Zuiver zingen is niet het belangrijkste; dit gaat om het leren voelen van het ritme en de richting in de muziek.

       Creëer een situatie waarin één persoon het ensemble leidt, bijv. voor tien maten. Wissel die rol af en speel de passage vier keer, zodat iedereen de kans krijgt om zijn/haar stempel op het geheel te drukken. Dit is leerzaam voor zowel leider als begeleiders, en het geeft een nieuw perspectief op de partituur. Let op: muziek klinkt nooit hetzelfde, dus ruimte voor spontaniteit is een belangrijke voorwaarde!

       Oefen met de ruggen naar elkaar toe en/of de ogen dicht. Goede kamermusici kijken met hun oren, en reageren onderbewust op lichaamstaal. Soms kan het helpen om de oppervlakkige visuele communicatie even uit te schakelen, en te vertrouwen op andere golflengtes!

       Wanneer de eerste viool in zijn melodie vrijheid neemt, en het lastig is om daar met de andere drie gezamenlijk onder te passen: stel je voor dat de cello met de eerste viool meespeelt, en dat de middenstemmen niet de viool, maar de cello begeleiden. Op die manier voorkom je een situatie waarin drie stemmen ongelijk begeleiden.



Teamwork – als jullie oververhit dreigen te raken…


Kamermuziek maken kan soms confronterend zijn. Je leert er niet alleen je collega’s goed mee kennen; ook jezelf, en dat is niet altijd even comfortabel! Hieronder een paar tips die ook buiten het muziekmaken zinvol zijn. Misschien lijken ze overbodig, maar het is belangrijk om ze als leidraad in je achterhoofd te houden…

Blijf altijd open voor kritiek van je collega's. Constructief commentaar is een manier om elkaar te helpen nog beter te spelen, en in een gezonde groep moedig je elkaar aan om die kritiek te uiten. Ook als je open wilt staan voor aanwijzingen, kan het gebeuren dat je ze onbewust afhoudt. Wees daar alert op! Voorwaarde voor gezonde kritiek is natuurlijk dat die zo geuit wordt, dat je collega zich gewaardeerd voelt in zijn inspanning, en inspiratie krijgt om het beter te doen (“Ik denk dat jij daar iets te langzaam speelt” in plaats van “Je speelt daar altijd te laat!” of nog erger: “Vinden jullie ook niet dat hij altijd te laat is?”). Wees professioneel en bekritiseer het spel en niet de persoon! Een frustratie is zo geboren, en kan soms moeilijk weer verdwijnen.

Luister echt naar elkaar. Ook als je al denkt te weten wat je collega gaat zeggen, en zelfs als je op dat moment een briljant idee aan het uitbroeden bent. Probeer alle ideeën uit, die in de groep ontstaan, zelfs als je het ergens helemaal niet mee eens bent. Een halfslachtige poging is gedoemd te mislukken, dus omhels ook wat je in eerste instantie niet denkt te kunnen waarderen. Wie weet kun je jezelf laten overtuigen!

Tenslotte: kamermuziek is zoals jullie weten een heel intense vorm van samenwerken.

Een echt wij kan pas ontstaan als een ik openstaat voor een jij. Iedere speler, ongeacht het spelniveau, brengt specifieke kwaliteiten, maar ook onvolkomenheden in het ensemble. De echte kunst is om die uiteenlopende bijdragen van elkaar te accepteren én op waarde te schatten. Dan pas kan ook op een dieper niveau een gezamenlijkheid ontstaan!

 

 

Coda – enkele losse gedachten over de techniek van het repeteren


•       Een bekende methode is het langzaam en stapsgewijs opbouwen van het tempo, bij het instuderen van een nieuw, snel stuk. Maar soms is het ook interessant om een langzaam stuk sneller te spelen, als oefening voor de frasering, of voor het bewustworden van de harmonische progressie.

       Oefen in kleinere groepen (twee of drie mensen, steeds andere) terwijl degene die niet speelt van een afstand luistert en feedback geeft. Vanaf onze eigen plaats in het ensemble krijgen we nooit een realistische balans te horen. Eigenlijk zou je een van je oren constant in de zaal moeten kunnen leggen, ook terwijl je zelf speelt! Deze oefening traint die vaardigheid.

       Maak geluidsopnames van je groep, en luister die gezamenlijk terug. Om dezelfde reden als hiervoor beschreven, is het bijzonder nuttig om objectief te horen wat het totaalplaatje is. Het kan ook onnodige discussies in de repetitie vermijden!

 

 

Rest ons nog om jullie allemaal veel inspiratie en voldoening te wensen tijdens deze eerste Rubens Quartet Leergang. We kijken ernaar uit om met jullie te werken, en hopen dat onze aanwijzingen jullie spel ook na afloop zullen blijven verrijken!