Op deze webpagina leest u een verslag van mijn tweejarige composer-in-residence samenwerking met het Rubens Quartet, mogelijk gemaakt door het Fonds Podiumkunsten.

 

Maart 2011: de langverwachte CD-opname van "Rondom Roukens"!

 

Op vrijdag 11 en zaterdag 12 maart was het dan zover: we doken “de studio in” om CD-opnames te maken van zowel Earnest and Game als And David Sang, alhoewel “studio” hier wil zeggen: het kerkgebouw van de Westvest 90 te Schiedam, dat een bijzonder fraai interieur heeft en een uitstekende akoestiek voor CD-opnames. Voor mij was dit bovendien een aangenaam weerzien met mijn geboorteplaats, waar ik al lange tijd niet meer was geweest.

Het Rubens Quartet heeft Earnest and Game (en in iets mindere mate And David Sang) nu zo vaak gespeeld dat ze deze muziek door en door kennen en hun interpretatie ervan enorm gegroeid is. Nu leek daarom de tijd rijp om deze stukken eens op te nemen en de interpretatie zoals die nu is zo goed mogelijk vast te leggen.

Als producer/opnameleider hadden we de zeer ervaren Wilhelm Hellweg ingehuurd - een man die zijn sporen ruimschoots heeft verdiend als producer bij vele klassieke muziekopnames voor het Philips-label, maar ook bijvoorbeeld bij opnames van werk van John Adams op het Nonesuch-label (onder het pseudonym Philip Waldway, daar zijn contract bij Philips hem eigenlijk verbood met andere labels in zee te gaan…). Een producer met jarenlange ervaring dus en daarnaast beschikkend over zeer goede, kritische oren. 

Het voordeel van een CD-opname is dat iedere onvolkomenheid in de uitvoering kan worden gecorrigeerd door een nieuwe take op te nemen. Gekscherend zou je kunnen zeggen dat een CD-opname daarmee eigenlijk een subtiele vorm van ‘luisteraarsbedrog’ is, maar je wilt een uitvoering nu eenmaal zo goed mogelijk op de plaat krijgen. En het Rubens zette zich volledig in om dit voor elkaar te krijgen: we bleven nieuwe takes opnemen totdat iedereen tevreden was met het resultaat (en we waren niet altijd snel tevreden…). Tal van details in de uitvoering werden ter plekke nog bijgeschaafd of aangepast. Zo nu en dan pasten we een kunstgreep toe, die in een live uitvoering nooit mogelijk zou zijn, maar die voor de opname het resultaat ten goede kwam: zo zit er aan het slot van deel I van E&G een flard van een volksmelodie in de violen, die moet klinken alsof ze uit de verte komt, en deze melodieflard is ook daadwerkelijk verder weg ingespeeld, nl. helemaal achter in de kerk, meters verwijderd van de eigenlijke opnameplek. Ander voorbeeld: in het derde deel kon Joe nu langer met demper op (con sordino) spelen dan tijdens een gewone live-uitvoering, doordat ik tijdens de opname achter hem stond om de demper op het juiste moment zo onmerkbaar mogelijk van zijn viool te halen, wat nog niet meeviel voor mij om op een subtiele manier te doen!

Producer Wilhelm voelde mijn intenties daarbij goed aan en kwam zo nu en dan met een aantal rake feedbackpunten die ik soms zelf niet eens had opgemerkt: “Joachim, kun je jouw basnoten iets luider spelen, dan is het openingsakkoord meer in balans,” of  Kunnen jullie de puls er meer uit brengen, op de opname kan ik geen enkel metrum onderscheiden.” Als CD-producer luisterde hij net weer even met andere oren naar de muziek dan ik als componist en zo vulden we elkaar goed aan. Even dacht ik dat we een verschil van mening zouden krijgen over mijn Josquin-transcriptie And David Sang: Wilhelm vond na de eerste doorloop dat er meer leven en een sterker pulsgevoel in de klank moest komen en ik was even bang dat dit ten koste zou gaan van de serene rust die ik in dit stuk wilde hebben. Maar uiteindelijk ontstond er een resultaat waar we ons allemaal in konden vinden - een resultaat dat nog altijd trouw bleef aan mijn intenties maar dat tegelijkertijd gewonnen had aan uitdrukking en “leven” in de klank.

Al met al kan waren het twee bevredigende, goed verlopen opnamedagen - met grote dank aan de musici en Philip Waldway - en ik ben ervan overtuigd dat het CD-resultaat erg mooi gaat worden!

 

 

December 2010: Plannen voor een nieuw werk voor het Rubens Quartet

 

Momenteel zit ik al na te denken over mijn nieuwe stuk voor het Rubens Quartet, hoewel ik eerst nog een heel slagwerkconcert moet afschrijven voor ik daadwerkelijk kan beginnen met het schrijven van dit werk. Dit nieuwe strijkkwartet zal in september 2011 in première gaan tijdens de opening van het vernieuwde Scheepvaartmuseum Amsterdam. Aangezien het stuk speciaal voor deze bijzondere gelegenheid geschreven zal worden, wil ik muziekinhoudelijk ook iets met dit gegeven doen in het stuk. Als ik denk aan ‘scheepvaart’ en ‘Amsterdam’ denk ik in de eerste plaats aan de bloeiperiode van de scheepvaart in de Gouden Eeuw – de tijd van de V.O.C., de grote koopvaardijschepen en de levendige handel met Azië. Mijn idee is om een stuk te schrijven waarin ik iets wil doen met muziek uit het begin van de Gouden eeuw toen de V.O.C. werd opgericht (1602). Welke muziek zou een zeeman die in die tijd meevoer op zo’n koopvaardijschip kunnen hebben gehoord? In de eerste plaats natuurlijk de zeemansliederen die aan boord van de schepen werden gezongen tijdens de lange reizen. Ook is het niet ondenkbaar dat de zeeman in het verre Azië in contact kwam met de inheemse muziek aldaar (wellicht de gamelanmuziek?). Terug in Amsterdam zou hij bij een bezoek aan de Oude Kerk muziek van Sweelinck kunnen hebben gehoord, die in die tijd organist was in deze kerk.

In mijn stuk wil ik dit verleden oproepen door flarden van deze muziek – Sweelinck, gamelan, zeemansliederen – te gebruiken en te verwerken in mijn eigen, duidelijk meer eigentijds klinkende idioom. Zo wil ik in dit stuk het verleden van de Gouden Eeuw oproepen op een enigszins bevreemdende manier, alsof het gaat om een gedroomd verleden, of een verleden dat surrealistisch vervormd is door een hedendaagse bril. Dit op een bevreemdende manier oproepen van muziek uit het verleden is iets waar ik me in meerdere composities mee bezig heb gehouden, zoals in mijn pianotrio Shadows and Bells (waarin echo’s van Brahms en Schumann als schimmen doorklinken), mijn saxofoonkwartet Quodlibet (waarin gerefereerd wordt aan de muziek van Perotinus en Bach) en natuurlijk het eerste deel van Earnest and Game (waarin opeens een wat bevreemdend klinkende flard van een barokkoraal opduikt).

 

September 2010: Roukens en Rubens op het Gergiev Festival

 

Op 9 september traden het Rubens Quartet en ik op tijdens het Nachtconcert van het Rotterdamse Gergiev Festival 2010: een late night concert (aanvang 22:30 uur!) in een onconventioneel format, waarbij het publiek niet plaatsnam op de gebruikelijke stoelen, maar het concert kon beleven vanaf ligbanken, fat boys, zittend aan borreltafeltjes met een drankje erbij, staand of al rondlopend door de ruimte. Voor één avond werd de Eduard Flipsezaal van concertzaal de Doelen omgetoverd tot een loungeclubachtige setting met bijbehorende verlichting, videoprojecties, DJ en een heuse cocktailbar. En in deze voor klassieke muziek nogal ongebruikelijke en zeer bonte setting traden wij op in een al even bont programma. Het Rubens Quartet opende de avond met Ecstasy uit mijn werk Earnest and Game, direct gevolgd door mijn Josquin-transcriptie And David Sang. Een groter contrast was haast niet denkbaar: eerst de tomeloze, extatische energie van Ecstasy en daarna het sublieme, serene karakter van Josquins muziek. Maar het werkte wonderwel. Het kwartet speelde alle muziek versterkt (aangezien er deze avond ook muziek klonk van een DJ en een electrische altviool, was ervoor gekozen alle instrumenten te versterken omwille van de consistentie van het geluidsniveau), wat ook nog een apart accent gaf aan de uitvoeringen. Later op de avond speelde het kwartet nog werk van de Turkse componisten Saygun en Erkin, als ook miniaturen van Tsintsadze en Komitas. De blokjes muziek door het Rubens werden afgewisseld door een aantal series van 1-minuut-durende pianostukjes (elk daarvan vergezeld door een even lang durend filmpje), met overtuiging gebracht door pianist Guy Livingston, en poëzie-intermezzi door niemand minder dan Ramsey Nasr - Dichter des Vaderlands - die een aantal van zijn gedichten voordroeg, waaronder het hilarische Mi have een droom. Ten slotte klonken ook nog improvisaties: de altvioliste Danusha Waskiewicz speelde raga-achtige improvisaties op haar electrische altviool en aan het eind van de avond kroop ik zelf achter de piano om een improvisatie ten gehore te brengen, die aan het slot werd overgenomen door de DJ, audiovisueel kunstenaar Martin de Korte, en daarmee eindigde in een soort van noise art. Het publiek hield het verrassend genoeg tot het einde van het concert (ongeveer 1 uur ’s nachts) uit en reageerde enthousiast.

Al met al dus een geslaagde avond, ondanks (of juist dankzij?) de ongebruikelijke vorm van het concert. Soms denk ik weleens dat programmeurs meer zouden moeten experimenteren met een dergelijk onconventioneel concertformat. Zelfs al werkt het niet altijd, het is de moeite waard te onderzoeken welke alternatieve formats mogelijk zijn, zeker met het oog op de vergrijzing van de klassieke muziek en de tegenwoordig zo actuele poging om een nieuw en jonger publiek aan te boren, voor wie het traditionele concertritueel soms een drempel is.

 

Januari - augustus 2010: Blijven schaven aan ‘Earnest and Game’

 

Wat een voorrecht is het om – dankzij de composer-in-residence regeling van het Fonds Podiumkunsten – langdurig met het Rubens Quartet te mogen samenwerken. Tegenwoordig is het immers helemaal niet zo vanzelfsprekend meer dat componisten voor een langere periode een band aangaan met bepaalde musici of een bepaald ensemble, iets wat in vroegere tijden veel gebruikelijker was. Het contact van een componist met musici, ensembles en orkesten is tegenwoordig erg vluchtig geworden en bijna uitsluitend gericht op wereldpremières. Men wil wel nieuwe muziek programmeren, maar alleen als het gaat om een wereldpremière, aangezien een wereldpremière iets exclusiefs zou hebben. Een schijn-exclusiviteit, want bij hedendaagse stukken van componisten die geen Boulez, Rihm of Adams heten is de regel dat de première tegelijk de dernière is – het stuk wordt één keer gespeeld (en vaak in een verre van optimale uitvoering door gebrek aan repetitietijd) en verdwijnt daarna voorgoed in de archiefkast waarin het gros van de hedendaagse partituren ligt te verstoffen, daar is dus niets exclusiefs aan. Juist bij hedendaagse muziek is het echter essentieel dat deze muziek meerdere keren gespeeld (en gehoord) wordt: alleen dan kan deze muziek groeien, bij zowel de uitvoerenden als bij de luisteraars. En alleen dan krijgt een modern stuk de kans om daadwerkelijk uit te groeien tot een repertoirestuk.  

 

Mijn ‘residency’ bij het Rubens Quartet houdt enerzijds in dat ik nieuw werk voor hen zal schrijven, anderzijds dat zij bestaand werk van mij veelvuldig zullen spelen en wij hier samen aan zullen schaven. In het eerste seizoen van de ‘residency’ ligt de nadruk op het laatste element. Het kwartet heeft gedurende het gehele seizoen mijn driedelige strijkkwartet Earnest and Game veelvuldig geprogrammeerd. Zo nam het kwartet dit stuk in januari 2010 mee op een succesvolle mini-tournee door het land, waarbij naast Earnest and Game ook Beethovens Harfenquartett gespeeld werd, alsmede And David Sang - mijn voor het Rubens Quartet geschreven transcriptie van een motet van Josquin (zie vorig blogbericht). Bij deze concerten was ik bovendien steeds zelf aanwezig om mijn muziek toe te lichten aan het publiek (wat altijd op prijs gesteld wordt door het publiek).

Tijdens deze tournee merkte ik niet alleen hoeveel beter het kwartet Earnest and Game inmiddels beheerste dan ten tijde van de première, maar ook dat ze het werk dusdanig eigen hadden gemaakt dat het stuk voor mij eindelijk loskwam van de ‘ideaal-interpretatie’ die je als componist van een stuk in je hoofd hebt. Als je een stuk geschreven hebt, heb je altijd een ideaalbeeld in je hoofd van hoe het stuk zou moeten klinken – de ideale interpretatie, een abstractie die bij de première nooit benaderd wordt. Daarom stellen premières van mijn stukken mij altijd teleur: wat ik op een première hoor ligt meestal nog mijlenver verwijderd van het ideaalbeeld in mijn hoofd. Wanneer musici een nieuw stuk voor het eerst spelen, gaat het er in eerste instantie om zoveel mogelijk de juiste noten en ritmes te spelen en alle partijen gelijk te krijgen – verder dan die fase komt men doorgaans niet bij een première. Pas wanneer men het stuk vaker uitvoert, kan men ook gaan werken aan de interpretatie: niet slechts alleen de juiste noten raken, maar ook de betekenis achter die noten. Die interpretatie moet vervolgens ook weer groeien en rijpen. En als zo’n interpretatie echt sterk en goed is geworden, doet dat mij als componist de ideaal-interpretatie in mijn hoofd vergeten.

Het Rubens Quartet heeft dat nu bereikt met Earnest and Game – het resultaat van het veelvuldig uitvoeren ervan en het voortdurend blijven schaven aan de interpretatie, al dan niet met feedback van de componist. Door veelvuldig samen aan het stuk te werken, hebben we de puntjes op de i kunnen zetten: “iets meer pianissimo hier … toch maar geen sul ponticello daar … deze passage wil ik rauwer, intenser … en eh, is het mogelijk het tempo van Ecstasy nog iets sneller te nemen?” Dat laatste bleek zeker mogelijk. Tijdens de concerten in januari speelde het kwartet Ecstasy voor het eerst in dit snellere tempo. Nooit eerder klonk dit deel zo geëxalteerd.


 

Januari 2010: Josquin op vier strijkers

 

Het is laat in de middag van een ijskoude januaridag als ik - voor het eerst in het nieuwe jaar – weer op bezoek ga bij een repetitie van het Rubens Quartet in Den Haag. Als ik de repetitiekamer binnenkom, staan de musici net op het punt om And David Sang te repeteren, mijn zojuist gemaakte strijkkwartettranscriptie van het motet Planxit autem David (1504) van Josquin des Prez. De muziek wordt ingezet en de kamer vult zich met de pure, serene schoonheid van de muziek van Josquin, een schoonheid die mooi past bij de winterse avondschemer die ik kijkend uit het raam gewaar word. Soms lijkt het bijna alsof de vier strijkers zijn veranderd in vier woordloze vocale stemmen, maar op andere momenten klinkt er toch echt een strijkkwartet.

Deze transcriptie is één van de nieuwe stukken die ik in het kader van mijn ‘residency’ voor het Rubens Quartet geschreven heb. Zij hadden de wens geuit om eens een keer oude muziek te spelen en  mij gevraagd een transcriptie hiervan te maken. Het maken van een goede transcriptie is een vak apart. In de meest simpele vorm is een transcriptie niet meer dan een ‘vertaling’ van een muziekstuk van het ene naar het andere medium, vaak gemaakt voor praktische of studiedoeleinden, bijvoorbeeld een piano-uittreksel van een opera of orkestsymfonie. Artistiek interessant wordt het pas wanneer een transcriptie niet slechts een vertaling is, maar ook een hertaling, d.w.z., de transcriber voegt een eigen muzikale visie op het stuk toe aan de transcriptie of hercomponeert het stuk zelfs in meer of mindere mate. Dergelijke transcripties zijn in de loop van de geschiedenis veelvuldig gemaakt, vaak door grote componisten: men denke aan de virtuoze pianotranscripties van Liszt of de Bach-transcripties van Busoni (om welke hij zelfs bekender is dan om zijn eigen originele composities), maar ook bijvoorbeeld aan Ravels orkestratie van Mussorgsky’s Schilderijententoonstelling, Stravinsky’s Pulcinella of meer recentelijk Berio’s Folk Songs en Rendering.

Mijn transcriptie van Josquins motet is dan ook een vrije transcriptie, waarin ik mij de vrijheid heb gepermitteerd om hier en daar te sleutelen aan de noten van Josquin, niet in extreme mate, maar toch nog in die mate dat het me niet meer gerechtvaardigd leek voor deze transcriptie de oorspronkelijke titel te handhaven - vandaar de Engelse titel And David Sang. Mijn plan was om enerzijds zoveel mogelijk het karakter en de noten van Josquins muziek intact te laten, anderzijds om toch een idiomatisch strijkkwartetstuk te maken dat gebruik zou maken van de mogelijkheden die het medium strijkkwartet te bieden heeft wat betreft dynamiek, kleur en expressie. Zo heb ik dynamiek toegevoegd en daarmee een dramatisch verloop, hier en daar en enkel nootje of kleureffect als flautando of sul ponticello en soms een octaaf veranderd. Daarnaast heb ik de vorm gewijzigd – zo heb ik secties geschrapt, zodat er een compactere vorm zou ontstaan die beter zou werken voor het medium strijkkwartet.  

Waarom heb ik juist voor dit motet gekozen? Omdat juist in dit motet te horen is hoe Josquin uiteenlopende invloeden probeerde te integreren, iets wat ik altijd waardeer in componisten. Zo worden in dit motet imitatieve, polyfone passages die duidelijk geworteld zijn in de muziek van de Franco-Vlaamse traditie waarin Josquin was geschoold, afgewisseld met homofone passages, de Italiaanse invloed die Josquin wellicht opdeed tijdens zijn werkzaamheden in Ferrara.